|
Ons koppel uit Kosovo
heeft vriendschap gesloten met een jonge Wit-Rus die in een asielcentrum
verblijft.
Ze zijn alledrie nog maar enkele maanden in België. Samen trokken ze naar Brussel, voor een bezoekje aan onze hoofdstad. Meer dan de splendeur van de Grote Markt had hen het groot aantal daklozen in het Centraal-Station getroffen... Hoe kan dat in een rijk land als dit? Hoe is het zover met die mensen kunnen komen? Waarom geeft men die mensen geen werk om er weer bovenop te geraken? En wij, vragen deze asielzoekers dan, met steeds meer verontwaardiging in hun stem: wij willen ook werken, hebben jullie geen werk voor ons? Wij willen niet bedelen, niet ons handje ophouden voor het OCMW, wij willen onze bijdrage leveren voor de samenleving.
Er klinkt opstandigheid door hun verhaal, onbegrip, teleurstelling. De asielaanvraag van de Kosovaren is ondertussen verworpen, ze gaan in beroep. Ondertussen moeten ze de helft van hun toelage gebruiken om de huur te betalen. Of er bij een van ons Belgen, die in een groot huis wonen, niet een kamer vrij is?
Ze doen alsof ze een grapje maken, maar je voelt hun ontgoocheling. Later zegt Refik, later, als alles goed gaat, komen jullie bij ons op bezoek, en dan maken jullie kennis met de gastvrijheid in ons land. Hoever reikt de positieve ingesteldheid van mensen die in volle vertwijfeling leven?
|